THE BOOGIE WOOGIE STORY 


Boogie story | colombia.jpg

Boogie Woogie Columbia Records 1942

VOORWOORD

Sinds de jaren zestig duiken de termen ‘boogie’ en ‘boogie woogie’ geregeld op. Van sixtiesrock over disco tot eigentijdse dancestijlen, allemaal hebben ze het voortdurend over boogie, terwijl de oorspronkelijke betekenis blijkbaar totaal verloren gegaan is. Slechts een select groepje 'die-hards' weet dat boogie woogie pianomuziek is, gespeeld door vingervlugge jongens met supersnelle linkerhand-technieken. Waar het precies vandaan komt weet haast niemand meer. Boogie Woogie wordt dan ook maar al te vaak bestempeld als hopeloos voorbijgestreefd, niet ernstig en niet vernieuwend genoeg.

Waar de naam precies vandaan komt is niet geweten. De term 'boogie woogie' had aanvankelijk zelfs weinig met muziek te maken, eerder met adrenaline en testosteron. Het is ontstaan uit de prille afro-Amerikaanse countryblues en door kruisbestuiving met andere muziek (vooral jazz) is het uitgegroeid tot een uniek genre dat zijn hoogtepunt heeft gekend in de VS, vlak vòòr de tweede wereldoorlog.

Ter eer en glorie aan een muziekgenre die het niet verdient om zo te worden verbannen uit het collectief muzikaal geheugen, heb ik mij dan ook toegespitst op het ware verhaal van boogie woogie en wil het bij deze delen met iedereen die een bezoekje brengt aan mijn webstek.


Terug naar index

Boogie story | barrelhouse.jpg

barrelhouse

DE VOORGESCHIEDENIS

Countryblues
In de 17de eeuw was de opkomst van de slavernij een feit. Afrikaanse slaven werden massaal naar Noord- en Zuid Amerika verscheept om er op een onmenselijke manier te worden uitgebuit. Deze zwarte bladzijde uit de geschiedenis heeft, naast veel menselijk leed ook nog geleid tot het ontstaan van een totaal nieuwe muziekvorm ... de blues. Als antwoord op het harde leven als slaaf werden klaagliederen gezongen, begeleid op banjo of gitaar. De blueszanger-gitarist speelde een combinatie van zangbegeleiding, afgewisseld met korte stukjes improvisatie. De eerste blues op piano moet een nabootsing geweest zijn van deze countryblues en een piano had trouwens het voordeel dat tegelijkertijd kon begeleid en geïmproviseerd worden. Dit deed de piano aan populariteit winnen.

Ragtime & Stridepiano
Ragtime is een instrumentale muziekvorm en tevens de eerste zwarte muziek die werd uitgebracht op partituur. Tegen het einde van de 19de eeuw begonnen de zwarten de muziek van de Europese kolonisten (mars, polka, cancan, waltz,...) te absorberen. De manier waarop de zwarte pianisten hun melodie een achtste vòòr de tel inzetten in plaats van op de tel (syncoperen dus..), zorgde voor ritmische spanning. Dit stond bekend als 'ragging the melodie' en kan worden beschouwd als de allereerste vorm van 'swing'.

Ragtime was amusementsmuziek. De talrijke nachtclubs in steden zoals New Orleans, St. Louis en Sedalia vormden het decor waarbinnen deze muziek zich ontplooide en de vele pianisten of zogenaamde ‘Professors’ trokken van stad tot stad, op zoek naar werk.

SCOTT JOPLIN was ongetwijfeld de populairste componist-pianist in die tijd. Hij was de vaste pianist in The Maple Leaf Club in het hart van de stad Sedalia (Missouri), tevens de bakermat van de ragtime. Scott Joplin werd vooral bekend door zijn compositie ‘Maple Leaf Rag’. Het nummer was een enorm succes en door de opbrengsten ervan kon hij zich toeleggen op het meer serieuze werk als componist. Hij componeerde zelfs een heuse opera ‘A Guest of Honor’ die in 1904 werd opgevoerd. Daarna ging het met Scott Joplin snel bergaf, ondermeer door drankproblemen. Hij werd opgenomen in een krankzinnigengesticht waar hij overleed in 1916.

Ragtime evolueerde verder tot wat in een later stadium 'stride' genoemd werd. Pianisten ontwikkelden nieuwe linkerhandtechnieken en nieuwe inzichten op het vlak van harmonie maakten de muziek als maar complexer. Pianist Jelly Roll Morton lag zowat aan de basis en pianisten zoals James P. Johnson, Willie ‘The Lion’ Smith, Fats Waller en Art Tatum vervolmaakten de stijl. Dit speelde zich voornamelijk af tussen 1925 en 1945.

Barrelhouse
Gelijktijdig ontstond een soort mix van ragtime en countryblues, die bekend stond als barrelhouse. Deze muziek ligt aan de basis van het ontstaan van boogie woogie en zette zich verder tot rond 1920. Een aantal nummers viel op door hun (voor die tijd) vernieuwende aanpak.


De grondleggers van de boogie woogie-stijl
GEORGE THOMAS. (geboren : 1880 ? Houston Texas)
Deze pianist-componist woonde samen met zijn jongere broer Hersal, tevens ook een voortreffelijk pianist, in de stad New Orleans en verhuisde in 1923 naar Chicago. Hij leefde en musiceerde volledig in de ragtimetraditie met uitzondering van een aantal van zijn latere werken. Eén zo’n uitzondering was het nummer ‘New Orleans Hop Scop Blues’ waarbij hij het bluesschema gebruikte, wat bij de andere ragtimenummers uit die tijd ongebruikelijk was. ‘New Orleans Hop Scop Blues’ is waarschijnlijk het allereerste twaalfmaten bluesnummer met een boogie woogie baslijn. Het werd gepubliceerd in 1916 maar werd pas later opgenomen in 1923, door de band van Clarence Williams (Clarence Williams Blue Five) met Sidney Bechet op sopraansax.
Zijn twee volgende nummers bevatten alweer boogie elementen. Deze nummers heten ‘The Fives’ en ‘The Rocks’. Ze behoren tot de allereerste muziek met boogie woogie-ritmische eigenschappen die in Chicago te horen was, en voor veel opkomende pianisten binnen het genre een bron van inspiratie.
‘The Fives’ is geregistreerd op naam van zowel George als Hersal Thomas. In het nummer is duidelijk te horen hoe ragtime- en boogiebastechnieken beurtelings aan bod komen. Geen ander nummer illustreerd zo prachtig hoe de twee muziekgenres geleidelijk aan in elkaar overvloeiden. Het bestaat enkel nog op pianorol en de akoestische versie, uitgevoerd door Hersal Thomas, is jammer genoeg verloren gegaan.
‘The Rocks’ is eveneens een mijlpaal in de prille boogiegeschiedenis. Hiervan bestaat wel een akoestische opname, gespeeld door George Thomas. Bij dit nummer worden frequent breaks ingevoerd en meerdere diverse boogie-basfiguren wisselen elkaar af.


JIMMY BLYTHE (geboren : 1901, Kentucky)
In 1916 verhuisde Jimmy Blythe naar Chicago. Hij was een allround pianist die experimenteerde met ragtime, stride, blues, boogie en populaire songs uit die tijd. De grote kentering die hij teweegbracht was eerder van improvisatorische aard. Tot dan toe was boogie woogie vooral een zaak van de linkerhand met als voornaamste kenmerk de zgn. ‘walking octaves’ basfiguren in achtste noten. De rechterhand maakte daarbij vaak overdadig gebruik van de bluestoonladder met zijn weemoedig karakter, die verbanden legde met de klagende countryblues.
In het solowerk van Jimmy Blythe daarentegen hing een optimistische sfeer, meer afgeleid van de vaudeville dan van de blues. Dat boogie woogie in een latere fase aan populariteit won, is mede daaraan te danken. Vele van zijn ideeën werden overgenomen en uitgewerkt door pianisten van de tweede generatie, zoals Albert Ammons, Made Lux Lewis, Pinetop Smith en Pete Johnson.
Zijn nummer ‘Chicago Stomps’ is niet meteen een voorbeeld van boogievirtuositeit, maar het is toch wel het allereerste pure, onvervalste boogie woogie nummer uit de geschiedenis. Noch ragtime, noch New Orleansjazz, noch andere vreemde elementen zijn erin terug te vinden.

Zowel George Thomas als Jimmy Blythe waren eigenlijk ragtimepianisten die door blueselementen toe te voegen aan hun muziek, geleidelijk aan de evolutie naar boogie woogie op gang brachten. Sommige pianisten met roots in de countryblues lieten zich dan weer inspireren door de ragtime. Speckled Red, Will Ezel en Cow Cow Davenport, Arthur ‘Montana’ Taylor en Romeo Nelson behoren tot het lijstje. Hun muziek was van het ruigere soort en soms voorzien van vunzige teksten. Hoewel ze op technisch vlak moesten onderdoen voor pianisten uit het ragtimekamp, stonden ze toch een stuk dichter bij de essentie. Een aantal onder hen misten de boogie woogie rage van eind jaren 30 (zie verder), maar zonder hun bijdrage zou er van een dergelijke rage misschien helemaal geen sprake geweest zijn.


Terug naar index

Boogie story | meadeluxlewis.jpg

Meade Lux Lewis

DE LANDELIJKE STIJL

Tijdens de tweede helft van de 19de eeuw hadden bluesmuzikanten nauwelijks contact met elkaar waardoor het zelden kwam tot uitwisselen van ideeën. Ze leefden meestal als eenzaten, verspreid over een groot gebied. Dit leidde tot een soort inteelt en had een remmende werking op de verdere ontwikkeling van de stijl. De meeste pianisten waren in deze pionierstijd trouwens muzikaal niet onderlegd en hun techniek was vaak ondermaats. De beschikbare piano’s bevonden zich daar bovenop nog in een zeer slechte staat.
Er bestaat weinig informatie over deze vroege beginperiode en wie deze allereerste bluespianisten waren is niet duidelijk. Ze deden waarschijnlijk niet veel meer dan zoeken naar een manier om hun Afrikaans ritmegevoel om te zetten in pianomuziek. Het repetitieve karakter en het voortdurend zoeken naar ritmische spanning versterken dit vermoeden.


De zuidelijke staten : wieg van de boogie woogie
Zo’n 200 jaar geleden bestonden de Verenigde Staten voor het grootste deel uit bos. De meest beboste staten waren het zuidelijk gelegen Louisiana, Mississippi, Alabama, Florida en een deel van Texas. Aan het rijke bosbestand kwam stillaan een einde toen vanaf 1830 de houtindustrie opgang maakte. Zwarte arbeiders, waaronder veel criminelen werden daarbij in grote getale ingezet. De afgezaagde stammen werden vertransporteerd via een zogenaamde ‘Dummyline’, een spoorlijn die diep in het woud doordrong tot aan het werkkamp. Wanneer de houtvoorraad begon te slinken werden de rails doorgetrokken tot aan een volgende beboste plek waar het werk kon worden hervat. De ‘dummyline’ was de enige verbinding met de bewoonde wereld en zo’n werkkamp was dan ook een ideale schuilplaats voor de vele voortvluchtigen die er werkten.

In de geïmproviseerde saloon op rails zat altijd wel ergens een pianist in één of andere rokerige hoek non-stop zijn ding te doen. De artistieke verwachtingen lagen niet zo hoog en zijn grootste zorg was het opbotsen tegen het lawaai van de beschonken menigte.
Ook in de steden waren pianisten aan het werk. Zowel in bordelen als in drankgelegenheden die allerhande benamingen meekregen, van ‘Barrelhouses’ tot ‘Honky Tonks’ of ‘Juke Joints’. Een barrelhouse was eigenlijk niet meer dan een schuur waarin men met tonnen en planken een bar installeerde.


De trein als inspiratiebron
Deze pianisten waren constant onder weg en het meest populaire vervoermiddel was de goederentrein. Geld om op een andere manier te reizen hadden ze trouwens niet. Soms kregen ze de goedkeuring van de treinbestuurder maar meestal reisden ze toch als blinde passagier, hangend aan een onderstel of dagenlang opgesloten in een lawaaierige goederenwagon. Pianist Wesley Wallace geeft een gedetailleerde beschrijving van een dergelijke treinrit van Nashville tot New Orleans in het nummer ‘Number 29’.

Vele composities zijn dan ook geïnspireerd op dergelijke treinreizen waarbij stoomfluiten worden nagebootst in de vorm van dissonante akkoorden of treinen die langzaam vertrekken vanuit een station, enz... De boogie-trein relatie komt nog maar eens tot uiting in de titels van de vele nummers. Het meest gekende is ongetwijfeld ‘Honky Tonk Train Blues’ van Meade Lux Lewis. De tempo-vertraging op het einde symboliseerd een trein die aankomt in een station.


Terug naar index

Boogie story | boogiestory_albertammons.jpg

Albert Ammons

DE VERSTEDELIJKING VAN BOOGIE WOOGIE

New Orleans
Rond 1900 was New Orleans een stad die barste van de muzikale activiteit. Ragtime was er razend populair en elke bar of saloon had wel ergens een pianist in dienst. Streetparades, brassbands en andere vormen van vroege jazz maakten deel uit van het dagelijks leven en bij elke gelegenheid werd een band of een pianist ingeschakeld. New Orleans was een multiculturele stad met een mengelmoes van zowel Afrikaanse, Europese als Latijn-Amerikaanse muzikale ideeën. Het aantal pianisten in de stad was uitermate groot en in talrijke zwarte cafés en zogenaamde ‘speakeasies’ werd barrelhouse gespeeld. Onder de vele, meestal onbekende pianisten waarvan trouwens amper iets op plaat werd gezet, was er één uitblinker... Roy Byrd (Professor Longhair). Hij experimenteerde met blues, boogie en latin. Professor Longhair wordt soms de Bach van de rock genoemd en beïnvloedde tal van rock’n roll vedetten uit de fifties, in het bijzonder Fats Domino.

New Orleans is in muzikaal-historisch opzicht van het allergrootste belang, zeker voor wat de ontwikkeling van jazz in het algemeen betreft. Boogie woogie ontpopte zich echter in een totaal andere stad, gelegen in het hoge noorden van de verenigde staten.

Chicago : eerste stedelijk centrum
Tussen 1920 en 1930 werd in Chicago het pad geëffend naar de meer gepolijste vorm van boogie woogie. Daar waren verschillende redenen voor met als voornaamste de grote concentratie zwarte pianisten in de stad, de talrijke vaudevilleshows en de opkomst van de platenindustrie. In die tijd verhuisde de zwarte bevolking naar het noorden in de hoop er een nieuw leven te kunnen beginnen met een vaste job en een vast inkomen. Daaronder bevonden zich veel boogiepianisten die het vak hadden geleerd in de honkytonks en barrelhouses in het zuiden. Ze namen de meest uiteenlopende jobs aan zoals taxichauffeur, afwasser, hotelportier en andere betrekkingen die deel uitmaakten van het leven in de grootstad. Om hun inkomen wat aan te dikken gingen ze ‘s avonds en in de weekends optreden. De meest professionelen onder hen kregen zelfs vast werk als pianist in de nachtclubs die stilaan deel uitmaakten van het nachtleven in Chicago.

Tegen het einde van de jaren 20 werd Chicago geteisterd door een zware economische crisis, voorafgegaan door een periode van ‘fast living’. De dansen werden wilder en een toename van het drankverbruik ging hand in hand met een verhoging van de criminaliteit. Om die reden was er een totaalverbod op alkohol van kracht en ontstond er een grootsopgezette handel in illegale ‘moonshine’ alkohol, die malafide vormen aannam.
Chicago werd het tafereel van afrekeningen binnen de maffia. Clubuitbaters werden onder druk gezet en gangsters eisten grote sommen geld in ruil voor bescherming. Verplichte afname van alcohol kwam daar nog eens bovenop en later vielen de clubs en saloons zelfs volledig in handen van de maffia.
De huurprijzen werden opgetrokken tot soms het driedubbele van voordien als gevolg van de inflatie. Om die reden werden meer en meer zogenaamde rentparties georganiseerd, om de waanzinnig hoge huishuur te kunnen blijven betalen. (De idee van de house rent party was eigenlijk afkomstig uit New Orleans waar op vrijdag en zaterdag werd rondgegaan van deur tot deur met verse vis. Daaruit ontstond een soort rentparty ... de ‘Fish Fry’).

House rent parties waren dagelijkse kost en boogiepianisten zorgden voor de muziek. Velen onder hen vormden vriendschapsbanden en werkten samen, waardoor nieuwe ideeën werden uitgewisseld in een zoektocht naar als maar betere solo’s en sterkere nummers. Chicago was ook het bookingscentrum voor vaudevilleacts in de noordelijke staten. Veel pianisten stonden op wachtlijsten in de hoop ooit in aanmerking te komen voor een vaste job binnen de theaterwereld. Enkel de besten, die een breed repertoire bezaten en een flinke dosis muzikale kennis, werden aangenomen. Ze moesten immers theaterartiesten kunnen begeleiden waardoor ze muzikaal heel flexibel moesten zijn.


COW COW DAVENPORT (geboren in Alabama in 1894)
Op zijn twaalfde kreeg hij wat pianoles in de klassieke richting, hoewel hij meer geïnteresseerd was in ragtime (zeer tegen de zin van zijn ouders). Al snel verliet hij het ouderlijk huis om zich te vestigen in de grootste stad in zijn buurt ... Birmingham. Daar trad hij aanvankelijk op in honkytonks en clubs, waarna hij werd opgenomen in een rondreizend gezelschap, ‘The Barkroot Carnival’. Hij ontpopte er zich tot een uitstekend begeleider en entertainer. Vooral dat laatste was niet onbelangrijk in die tijd. Na veel opgedane ervaring verliet hij het gezelschap om een solocarrière op te bouwen. Zijn meest gekende nummer ‘Cow Cow Blues’ zou later uitgroeien tot een echte boogie woogie-klassieker.

CLARENCE "PINETOP" SMITH. (geboren in Alabama in 1904)
Ondanks zijn korte leven (een verdwaalde kogel werd hem fataal toen hij 25 was) is hij ongetwijfeld de grondlegger van de moderne boogie woogie pianostijl. Net zoals Cow Cow Davenport vestigde hij zich in Birmingham, althans voor twee jaar waarna hij in 1920 verhuisde naar Pitsburgh. Daar werd hij aangenomen in vaudevilleshows, niet enkel als pianist maar ook als tapdanser, zanger en komiek. Zijn latere composities zijn dan ook doorspekt met humor en zijn capaciteiten als pianist-entertainer maakten hem geliefd op rentparties. Veel van zijn nummers waren immers monologen met pianobegeleiding. De jonge Pinetop verhuisde uiteindelijk naar Chicago waar hij een aantal opnames maakte waaronder het legendarische ‘Pinetops Boogie Woogie’, in 1928. Het nummer veroorzaakte een kentering en luidde de eerste fase in, in de popularisering van boogie woogie.


JIMMY YANCEY (geboren in Chicago in 1898)
Op zeer jonge leeftijd was hij reeds gedreven zanger-tapdanser, in duo met zijn vader. Rond zijn zestiende verliet hij de showbusiness om zich volledig toe te leggen op de piano. Hij was niet enkel gekend voor zijn slowbluesnummers, maar hij wierp ook een totaal nieuw licht op boogie woogie door zijn vernieuwende basfiguren. Deze zogenaamde Yancey boogie rhythm techniek wordt gekenmerkt door een zware continue waterval van noten, diep in de bassen. Het nummer ‘Janie’s Joys’ is een mooi voorbeeld van deze typische bastechniek.

MEADE LUX LEWIS. (geboren in Chicago in september 1905)
Hij studeerde aanvankelijk viool en stapte pas later over op de piano. Als tiener was hij reeds goed bevriend met Albert Ammons (zie verder) en ze groeiden samen op in Chicago. Zijn compositie ‘Railroad Blues’, waarvan de naam later werd veranderd in ‘Honky Tonk Train Blues’ werd één van de populairste boogie woogie nummers uit de geschiedenis. Een eerste opname van Honky Tonk Train Blues dateert uit 1929 (Paramount), waarna het nog een aantal keer werd opgenomen. Meade Lux Lewis groeide op tussen de vele Chicago-pianisten maar vooral Jimmy Yancey was zijn favoriet. Hij componeerde zelfs een nummer met als titel ‘Yancey Special’.


ALBERT AMMONS (geboren in Chicago in september 1907)
Studeerde samen met zijn vriend Meade Lux Lewis de grondprincipes van Boogie Woogie in zijn ouderlijk huis. Ammons’ vroege interesse in boogie was enerzijds het resultaat van deze vriendschap en anderzijds door toedoen van zijn vader, eveneens een boogiepianist. Hij kon geen muziek lezen maar had wel een uitstekend muzikaal gehoor en kon zonder problemen transponeren naar andere toonaarden. Deze vaardigheden kwamen hem bijzonder van pas in zijn later leven als bandpianist.

In tegenstelling tot zijn tijdgenoten was Ammons een pianist met veel orkestervaring in de toen aktieve swingbands van ondermeer Francois Mosely, William Barbee en Louis Banks.In 1934 vormde hij zelfs zijn eigen sextet (The Rhythm Kings) waarmee hij regelmatig optrad in de club De Lisa in Chicago. Albert Ammons was een specialist in het ombuigen van jazznummers uit die periode tot boogienummers, waarschijnlijk omdat tijdens soloconcerten regelmatig nummers werden aangevraagd en hij er blijkbaar geen moeite mee had, deze onmiddellijk toe te voegen aan zijn repertoire. Dit was ondermeer het geval met ‘Lady Be Good’, een nummer van Gershwin dat opgenomen werd in Chicago in 1946 met Ike Perkins op gitaar.

Verder zijn Arthur ‘Montana’ Taylor, ‘Cripple’ Clarence Lofton en Charlie Spand nog te vermelden als toonaangevende Chicago-pianisten. Hoewel de linkerhand basspattern die zo typisch is voor boogie zijn oorsprong vind in de zuidelijke barrelhouse circuits, toch wordt boogie woogie altijd geassocieerd met Chicago. Daar verloor het immers zijn primaire functie als bluesbegeleiding. Het rollende ‘eight to the bar’ ritme is het resultaat van de ontwikkelingen in deze stad.

Andere boogiesteden
Tussen 1920 en 1930 was de situatie in een aantal andere steden gelijkaardig als in Chicago, elk met hun eigen stijl en hun eigen belangrijke figuren. Zo was er in steden als Detroit en St. Louis ook veel boogie woogie te horen. St. Louis was een belangrijke havenstad aan de samenloop van de Mississippi en de Missouririvier en had dan ook een bloeiend nachtleven. De twee bekendste pianisten waren Rufus G. Perryman (Speckled Red) en Roosevelt Sykes. Kansas City had Pete Johnson, Jay Mc. Shann en Mary Lou Williams.

PETE JOHNSON (geboren in KC in 1904)
Zijn roots lagen in de ragtime en hij luisterde vooral veel naar Fats Waller. Het gebruik van swingbas en zogenaamde ‘walking tenths’ in de bassen nam hij van hem over. Pete Johnson trad meestal op met een repertoire van jazzstandards, dit soms 5 à 6 uur aan een stuk. Daarnaast was hij ook een voortreffelijk boogievirtuoos.

Eén van zijn bekenste boogienummers heet ‘Roll’em Pete’. De naam van het nummer zou ontstaan zijn toen tenorsaxofonist Ben Webster hem toeriep ‘Roll for me ... Roll’em Pete’! Johnson stond ook bekend bij een aantal grote namen uit de KC big-band middens zoals Andy Kirk, Count Basie, Ben Moten, Cab Calloway en Walter Page met zijn Blue Devils. Vooral zijn langdurige samenwerking met zanger-entertainer Big Joe Turner maakte hem bijzonder populair.


Terug naar index

Boogie story | fromspiritualstoswing.jpg

From Spirituals to Swing

DE GROTE DOORBRAAK

In 1938 verhuisde boogie woogie naar ‘The Big Apple’ ... New York. De drijvende kracht achter dit alles was een invloedrijke man met een grote passie voor boogie woogie nl. John Hammond. Hij was producer bij the Columbia Record Compagny en werd later schrijver en jazzcriticus o.a.voor het magazine Downbeat. John Hammond voelde zich al aangetrokken tot jazz sinds zijn jeugd en na het horen van de opname uit 1928 van Pinetops Boogie Woogie in het bijzonder tot boogie. Hij promootte ook het orkest van Count Basie en had zangeres Billie Holiday onder zijn vleugels. Eén van zijn grote verdiensten was ongetwijfeld het samenbrengen van blanke en zwarte muzikanten en zijn voortdurende strijd voor de rechten van de zwarte muzikanten in het algemeen. Hij was ervan overtuigd dat blanke en zwarte muzikanten samen prima orkesten zouden vormen en dank zij hem werden pianist Teddy Wilson, vibrafonist Lionel Hampton en gitarist Charlie Christian als eerste zwarte muzikanten geëngageerd bij het orkest van Benny Goodman.

From Spirituals to Swing
John Hammond organiseerde twee concerten in de prestigieuze Carnegie Hall in New York, ‘From Spirituals to Swing’ genaamd. Het was daarbij zijn bedoeling een beeld te geven van jazz, gaande van blues en gospelsongs tot de meer geavanceerde swingstijl. Dit alles had een sterke anti-rasistische ondertoon en maakte deel uit van Hammons streven naar erkenning van de zwarte muziek als een belangrijk onderdeel van de Amerikaanse cultuur. Daarbij werd verwezen naar het verleden toen talrijke zwarte artiesten werden gediscrimineerd door clubuitbaters, radiostations, enz. Hij toerde door het hele land op zoek naar zwarte muzikanten, waarvan sommigen leefden in armoede en totale afzondering. Uiteindelijk slaagde hij erin zijn programma samen te stellen. Op de Spirituals to Swing concerten stonden ondermeer geprogrammeerd :
  • THE MITCHELL CHRISTION SINGERS & ROSETTA THARPE (een gospel en spiritual bezetting).
  • SIDNEY BECHET and the NEW ORLEANS FEETWARMERS (vroege New Orleans Jazz)
  • JAMES P.JOHNSON (stride pianist)
  • RUTH SMITH ‘nicht van Bessy Smith’ (blueszangeres)
  • BIG BILL BROONZY & SONNY TERRY (countryblues op gitaar en harmonica)
  • JIMMY RUSHING & HELEN HUMES (vocalisten, begeleid door een selectie muzikanten uit het Count Basie orkest)
  • THE BOOGIE WOOGIE TRIO (Albert Ammons, Meade ‘Lux’ Lewis & Pete Johnson samen met blueszanger Joe Turner)


De piano was Hammonds’ favoriete instrument en hij engageerde de drie beste boogie woogie-pianisten uit die periode. Vlak voor het eerste concert in december 1938 was er reeds een groeiende interesse voor boogie, ondermeer door duoconcerten van Ammons en Lewis waar invloedrijke personen uit de platen- en perswereld op aanwezig waren. Bij die concerten bespeelde Ammons de piano en Lewis praatte over boogie woogie. Daarbij werd af en toe aan het publiek de kracht gedemonstreerd die uitging van deze muziek, onder de vorm van indrukwekkende duetten op twee piano’s. De twee pianisten waren tegen die tijd echte meesters in het vak geworden en stilaan bekend geraakt bij een breder publiek.

De 'From Spirituals to Swing' concerten werden een enorm succes en vanaf dan ging het goed met The Boogie Woogie Trio. Er volgden optredens in The Café Society in New York, waar de muzikanten voor het eerst een vast inkomen genoten. Jazz en boogie woogie werden er in één adem vernoemd. Anderen die er regelmatig optraden waren Frankie Newton met Teddy Wilson op piano, pianisten James P. Johnson, Sammy Price en Mary Lou Williams. Voor de meeste vaste klanten was de hoofdattractie echter toch The Boogie Woogie Trio. De act bestond uit solo’s, duetten en trio’s.


Terug naar index

Boogie story | thesavoy.jpg

Savoy Ballroom, Harlem, 1939

ORKESTRALE BOOGIE

Pogingen om boogie in orkestvorm te brengen werden reeds vroeger ondernomen, maar het was toch vooral door de successen van The Boogie Woogie Trio dat boogie woogie uiteindelijk zijn positie als solo-pianostijl verloor. Big bands schoten in actie en introduceerden boogienummers in hun repertoire. Small bands, waarbij een boogiepianist werd bijgestaan door een klein aantal muzikanten, met of zonder zanger, schoten als paddestoelen uit de grond. Langs alle kanten werd georkestreerd, gearrangeerd en geëxperimenteerd met boogie. Daarbij werd opvallend veel gebruik gemaakt van het ‘Pinetops Boogie’ thema.

Midden jaren 30 ging het twee kanten uit met boogie woogie in orkestvorm. De ene stroming onderhield het contact met de blues en werd later ‘rhythm & blues’, rock’n roll en ‘electric blues’. Een tweede beweging maakte de breuk met de blues en haalde boogie woogie tijdelijk binnen in de wereld van commerciële swing en big band.

Big bands
Swing was enorm populair in de VS tussen 1935 en 1945. Big bands traden op voor overvolle danshalls en op de radio was swing heer en meester. Het was tevens de tijd van de ‘Lindy Hop’, een wilde dans die razend populair werd in het New York van vòòr de tweede wereldoorlog en waar de 'ballrooms' de toeloop van dansers nauwelijks nog aankonden. ‘The Savoy Ballroom’ was de bekendste en in 1938 werd daar zelfs een heuse swing-battle georganiseerd waarbij twee big bands het tegen elkaar opnamen.

De voorloper van de lindy hop was een dans die ‘The Boogie Woogie’ werd genoemd en die reeds werd gedanst in de honky tonks en juke joints waar barrelhousepianisten optraden, lang vòòr de swingperiode. Deze honky tonks waren niet erg groot en een piano was doorgaans voldoende om het nodige geluidsvolume te produceren. Tegen het begin van de swingperiode was het aantal dansers zodanig toegenomen dat steeds grotere zalen nodig waren. Het ontstaan van big bands is deels hierdoor te verklaren. In die tijd was geluidsversterking zo goed als onbestaande en men moest wel grotere orkesten inschakelen om het vereiste volume te kunnen produceren, aangepast aan dergelijke grote zalen.

Sommige bandleiders waren aanvankelijk zelf boogiepianisten, zoals Count Basie en Jay Mc. Shann, beide afkomstig uit Kansas City.

 

Small bands
Van de drie boogievirtuosen Ammons, Johnson en Lewis zijn het vooral Ammons en Johnson die kleinere ensembles samenstelden. Lewis’ bijdrage tot band-boogie was eerder bescheiden en hij gaf voornamelijk soloconcerten. Ammons had zijn ‘Rhythm Kings’ met gitarist Ike Perkins. The Rhythm Kings waren min of meer het prototype van de na-oorlogse rhythm & blues bands en meteen het bewijs dat boogie woogie perfect kon worden gebracht in kleine georkestreerde vorm.
Pete Johnson stond bekend voor zijn samenwerking met blueszanger ‘Big’ Joe Turner, die trouwens ook The Boogie Woogie Trio bijstond tijdens de Spirituals To Swing concerten. Hij was een veelzijdig pianist en trad geregeld op met allerhande kleine tot middelgrote orkesten.
Er waren uiteraard nog meer boogie smallbands. De meeste werden gevormd door muzikanten (afkomstig uit de big bands) die een voorkeur hadden voor de boogie woogie-stijl.

FREDDY SLACK Vanaf 1936 was hij de vaste pianist bij de big band van Jimmy Dorsey en in die periode experimenteerde hij reeds met boogie woogie in orkestvorm. Tussen 1939 en 1941 ging hij voluit voor georkestreerde boogie en vormde uiteindelijk zijn eigen band, ‘Freddy Slack and his Eight Beats’.

Boogie woogie werd een mengelmoes van swing, jazz en blues. Louis Jordan en zijn Tympany Five bracht boogie woogie in de hitlijsten met nummers als ‘Choo Choo Ch’boogie’. De Andrews Sisters zongen hun commerciële versies ‘Scrub Me Mamma with a Boogie Beat’ en ‘Beat Me Daddy Eight to the Bar’. De muziek werd zodanig gecommercialiseerd dat de ernstige boogieliefhebber langzaam begon af te haken.


Terug naar index

Boogie story | amos_milburn.jpg

Amos Milburn

RHYTHM & BLUES

Na 1945 werden tal van kleine zwarte orkesten gevormd, verspreid over het hele grondgebied van de VS. Ze werden Rhythm & Bluesbands genoemd. Pianisten maakten deel uit van de ritmesectie (piano, gitaar, bas en drum) die werd bijgestaan door een aantal blazers en een blueszanger. De muziek die ze voortbrachten was sterk beïnvloed door de big bands en vooral geïnspireerd op blues, boogie en gospel. Het was in de eerste plaats livemuziek maar dan van het ruige soort. Dit was de muziek van de zwarte bevolking en werd niet aanvaard door de blanken. Ze werd bestempeld als ‘racemusic’. Toch werd nu en dan een plaat uitgebracht op een klein, onafhankelijk platenlabel, maar dan enkel bedoeld voor een zwart luisterpubliek. De nummers die ze brachten werden vaak gekopieerd door opkomende blanke vedetten, waarna ze met succes aarvaard werden bij het grote publiek. Dit vertaalde zich meestal in een gigantische platenverkoop, tot ergernis van de zwarten.

Alan Freed was een radiopresentator die het als eerste waagde, toch zwarte ‘racemusic’ te draaien tijdens zijn programma en dit voor een blank luisterpubliek. Hij wou opkomen tegen het stelen van zwarte muziek door blanken en gaf de muziek daarbij een nieuwe naam... Rock’n Roll.
Dit werd op de duur de verzamelnaam voor alle populaire muziek uit de fifties.
Bij de Rhythm & Bluesbands stond vooral de tenorsaxofoon centraal. Toch kregen ook een aantal pianisten bekendheid zoals Amos Milburn, die zowat de brug maakte tussen de Chicago-boogiestijl en de fifties-rock’n roll

AMOS MILBURN (geboren in Houston-Texas in 1927)
Hij maakte tal van opnames voor het platenlabel ‘Aladdin’. Kort na de tweede wereldoorlog, was de jukebox het medium bij uitstek voor het verspreiden van zwarte rhythm & blues. Een aantal van Milburns nummers werden echte jukeboxhits, zoals ‘The Chickenshack Boogie’ en ‘Bad Bad Whiskey’. Zijn typische pré-rock’n rollstijl komt mooi tot uiting in de talrijke opnames die hij maakte met verschillende combo’s tussen 1945 en 1955. Zijn samenwerking met tenorsaxofonist Maxwell Davis leverde heel wat platenmateriaal op.

JIMMY Mc CRACKLIN (geboren in St. Lewis rond 1920)
Na een korte bokscarrière wierp hij zich volledig op de rhythm & blues bussines als zanger-pianist. Hij maakte diverse opnames gaande van countryblues in zijn beginperiode tot jump en rhythm & blues. Als zowat enige zwarte slaagde hij erin, door te breken op de blanke rock’n roll markt tijdens de fifties.


Terug naar index

DE NIEUWE GENERATIE

Vanaf 1950 ontstond er een algemene desinteresse in pianoboogie, dit in schril contrast met het overompelend succes van tien jaar daarvoor. Door de commercialisering en de opkomst van rock’n roll en rhythm & blues kwam het pure boogie woogie genre op het achterplan. Ineens werd boogie woogie bekritiseerd als saai en ééntonig en door de pers genadeloos in de grond geboord. Meade Lux Lewis begon zijn repertoire uit te breiden met jazzstandaards waarmee hij geregeld optrad in jazzclubs. Jazzcritici waren echter niet mals in hun reacties op deze omschakeling van stijl. Ook voor Pete johnson en Albert Ammons werden het barre tijden.

Een aantal pianisten nam de fakkel echter weer op. Alle middelen werden ingezet om boogie woogie de erkenning als volwaardig muziekgenre terug te geven. Nieuwe ingewikkelde basfiguren werden uitgedacht en afgewisseld met indrukwekkende linkerhand-improvisaties. Boogie woogie werd vermengd met klassieke muziek en gecombineerd met funky New Orleans geluiden.

Het genre kent dan ook een opmars in een aantal Europese landen, (vooral Nederland, Frankrijk, Duitsland en Oostenrijk), maar in andere landen wordt boogie woogie nog steeds verbannen uit het culturele leven en zeer onterecht beschouwd als minderwaardige muziek. Erger nog, in bepaalde kringen van cultuurcentra met een zogenaamd 'breed aanbod' wordt de muziek heel bewust buiten de programmatie gehouden.

Gelukkig staan sommige dappere organisatoren wel nog open voor boogie woogie acts en een aantal pianisten organiseren zelfs hun eigen festival uitsluitend ter promotie van deze unieke muziekvorm.


Terug naar index

GERAADPLEEGDE LITERATUUR

A left hand like God    (Peter Silvester)
All you need    (Tony Palmer)
Back Beat    (Eddy Determeyer)

Terug naar index